woensdag 7 oktober 2015

HUIZE SCHAAMROOD IN SCHEEMDA



De kop boven deze blog luidde oorspronkelijk ‘Fietsen in Duitsland is een feest’  De kop die er nu boven staat heb ik deels geleend van de column van René Cuperus in de Volkskrant van maandag 5 oktober.
Het blijft een feit: fietsen in Duitsland is een feest. Heerlijke landschappen, prima fietspaden, vriendelijke mensen.
Zijn Duitsers voor alle fietsers zo aardig? Of vooral voor buitenlanders op de fiets? Waar zagen ze aan dat we buitenlanders waren? Omdat we zo zwaar bepakt en bezakt waren? Hoe dan ook, we voelden ons zeer welkom in Duitsland.
Als we even stil stonden om het routeboekje van de Radweg te raadplegen, stopte er vaak een vriendelijke automobilist met de vraag of ie ons kon helpen.
Natuurlijk. ook in Nederland heb je hulpvaardige mensen. Maar hoe vaak krijg je naar je hoofd geslingerd: HÉ KLOOTZAK, GA AAN DE KANT MET DIE FIETS, JE STAAT MIDDEN OP EEN KRUISPUNT
Op elk kruispunt, bij de oversteek van elke onoverzichtelijke rotonde: als fietser krijg je voorrang, auto’s stoppen altijd.
In elk dorp kwam je wel iemand tegen die aan je gezicht zag dat je op zoek was naar de dichtstbij zijnde bakker.
Kwamen we een inheemse fietser tegen (steeds meer Duitsers lijken de fiets te ontdekken) van wie we, ondanks de goede bewegwijzering, toch even de goede richting wilden weten, dan liet die ons de keuze tussen de mooiste of de snelste route.
De Nederlandse fietsknooppunten: ideaal systeem, maar alleen voor fietsers. Mocht je een knooppunt missen, vraag het nooit aan een localo: FIETSKNOOP-WAT? 26? MOET DAT HIER ZIJN? NOOIT VAN GEHOORD. RIJ MAAR GEWOON RECHTDOOR

Het stortregende de hele dag en we besloten een stuk van de route met de trein te doen. Op het kleine station zaten échte lokettisten, échte mensen van het spoor, die de tijd namen om met ons mee te denken over de beste en voordeligste route. “Haben Sie een foordeeloerenkart? Dann kann es noch billiger!”
Vaak staken mensen ons een helpende hand toe als we onze veel te zwaar bepakte fietsen trap-op trap-af moesten slepen naar een ander perron.
Natuurlijk, ook in Nederland loopt er wel eens een behulpzame NS’er op een station, maar meestal is het:  KAARTJES? ALLEMAAL IN DE AUTOMAAT. DAAR JA, EINDE PERRON. FIETSKAARTJES? ALLES IN DE AUTOMAAT.

Fietsen in Duitsland. Zó mens- en milieuvriendelijk, zó gastvrij, dat we in een onbeschaamd en door geen Duitser opgemerkt ogenblik ons afvroegen: “Hebben jullie soms wat goed te maken…?”
’s Avonds op een kleine camping raakten we aan de praat met een groep vrienden die een vrijgezellenweekend vierden omdat een van hen ging trouwen. Luidruchtige Duitsers, vooral als ze drinkliederen gaan aanheffen, ga ik liever uit de weg. Maar deze jongens hadden een weemoedige en sentimentele dronk.
Met één van hen, net afgestudeerd als jurist in Hamburg, werd het contact wat persoonlijker. We hadden al afgesproken om elkaar te tutoyeren. ‘Duzen’ is heel wat voor een Duitser, zeker voor een jonge Duitse jurist. Toen we afscheid namen, wilde hij nog één vraag stellen:
‘Zeg eens eerlijk, hebben jullie een hekel aan ons?”
We snapten niets van de vraag. Hoezo, een hekel?
“Omdat we Duitsers zijn…?”, stamelde hij, haast onderdanig.

René Cuperus in De Volkskrant van 5 oktober:
‘In Nederland is sprake van een tamelijk lauwe, timide en wantrouwige welkomstcultuur. En er is dus die massale volksopstand gaande in de peilingen. Volgens Maurice de Hond heeft de PVV momenteel zelfs een potentieel tot wel 45 zetels. Wat gaat hier mis? Waarom bestaat juist in Nederland zo’n weerzin tegen vluchtelingen? Geen welkomstcultuur, maar een ‘rot-op-cultuur’


Dat hartgrondige wantrouwen tegen vluchtelingen doet denken aan het eind van de jaren ’30, toen duizenden Duitse Joden (onder wie de familie Frank) naar Nederland vluchtten omdat het hier veiliger zou zijn. Ook toen al werden talloze ‘gelukzoekers’ terug over de grens gezet. Nota bene op kosten van de Joodse gemeenschap werd in 1939 in Drenthe, toen nog echt het land van turf, jenever en achterdocht, een asielzoekerscentrum vol tochtige barakken opgericht. Dat was in Westerbork…
Wat hebben we veel goed te maken, hier in Nederland en in Duitsland.

Aan het eind van onze vakantie fietsten we in Oost Groningen de Duits-Nederlandse grens over. Na ruim een uur fietsen zochten we in Scheemda, maar het had ook in Beerta kunnen zijn, een cafetaria wegens onbedaarlijke zin in patat en croquetten.
De eerste snackbar waar we langs reden bleek die maandagmiddag gesloten. Ik vroeg aan een winkelier aan de overkant of er misschien nog een andere cafetaria of een restaurant open was. Zag of hoorde hij, wellicht aan onze accentloze uitspraak van het Nederlands of aan onze zwaar bepakte fietsen, dat we geen autochtone ‘Scheemders’ maar vreemdelingen waren?
HIER AAN DE OVERKANT
“Ja, maar die is dicht”
DAN IS ALLES DICHT
“Misschien een restaurant of een eetcafé?”
IK ZEG TOCH DAT ALLES DICHT IS OP MAANDAG
“Nou, in de stád Groningen zijn de meeste cafetaria’s open op maandagmiddag”
JE DOET DUS OF SCHEEMDA EEN ACHTERGEBLEVEN GEBIED IS
“Dat doe ik echt niet. Waarom zou ik iets tegen Scheemda hebben?”
IK ZEG JE: ALLES IS DICHT
Ik maakte een eind aan de conversatie met een cynisch “Nou, welkom in Scheemda”.
ROT DAN OP


Opeens schoot me een fragment uit een oude voorstelling te binnen van Neerlands Hoop in Bange Dagen (hoe actueel kan een titel zijn...) met Bram en Freek: over een inzamelingsactie voor 'Huize Schaamrood in Scheemda'. Het had ook Huize Beerput in Beerta kunnen zijn.

donderdag 2 juli 2015

PAPA, ZITTEN HIER DIE MENSEN IN?

Ik heb een kleine ongevaarlijke afwijking: Duitse nummerborden. Ik vind het mooi om te weten dat een auto met een D uit Düsseldorf komt, met HH uit de Hansestadt Hamburg en met FRI uit (Oost)Friesland. Zie ik soms een geparkeerde Duitse auto waarvan ik de afkorting niet ken, dan lees ik op mijn hurken de herkomst op de nummerplaat.
Kort geleden stond er een Opel uit DAH in onze straat. Daar schrok ik even van: Stadt & Kreis DACHAU.
Maar ja, je kunt er weinig aan doen dat je in Dachau geboren bent en dat je daar een leuk huis en een leuke baan hebt. Er wonen veertigduizend gewone mensen in deze welvarende stad, twintig kilometer van München. En net als overal zijn de city-marketers zich ook hier te buiten gegaan aan een logo met slogan: een duimpje omhoog met daaronder de tekst "Dachau gefällt mir”.
In 1933 richtte Hitler in Dachau zijn eerste concentratiekamp op. Cynisch liet hij op het hek bij de ingang de slogan “Arbeit macht frei” aanbrengen.

Is het erg om nu in Westerbork te wonen, met leuk huis en leuke baan? Hoeveel mensen zouden in 2015 dat rustieke Drentse brinkdorp, aan de rand van bos en hei, nog associëren met het concentratiekamp, of zoals de Nazi’s het noemden, het ‘Polizeiliches Judendurchgangslager Westerbork’?

Tussen juli 1942 en september 1944 reden er vanuit Kamp Westerbork 93 met mensen volgestampte treinen naar de vernietigingskampen, zoals Auschwitz, Sobibor, Theresienstadt en Bergen Belsen.
Van het kamp staat bijna niets meer overeind. De vele tientallen woon- en werkbarakken, waar ook Anne Frank tot haar deportatie naar Auschwitz een paar weken verbleef, werden vanaf 1970 gesloopt. De geschiedenis was blijkbaar onverdraaglijk en werd uitgewist. Kamp Westerbork werd een grote en bijna kale vlakte.
Pas rond 1970, dus vijfentwintig jaar ná de oorlog, kwam het herdenken van de Holocaust in Nederland op gang. Terwijl de sloop van het kamp in volle gang was, onthulde koningin Juliana het Nationaal Monument Westerbork. Bijna veertig jaar na de oorlog, in 1983, werd het museum ‘Herinneringscentrum Kamp Westerbork’ geopend.

Eén gebouw bleef tot op de dag van vandaag onaangetast staan: de houten villa, aan de rand van het concentratiekamp, van kampcommandant Albert Gemmeker. In februari van dit jaar werd het mooie vervallen woonhuis geconserveerd voor de toekomst. Er werd een enorme vitrine van staal en glas over de villa en de tuin geplaatst: een bizarre kijkdoos, de geschiedenis onder een stolp, het kwaad in een steriele etalage.

Afgelopen mei, vijfenzeventig jaar na de bevrijding, waren we in Westerbork.
Sindsdien houdt dat huis onder die vitrine, maar vooral zijn bewoner Albert Konrad Gemmeker, mij bezig.
Albert en Elisabeth, gezellig met
de hond in de villa
Na het laatste transport vanuit Westerbork werd Nederland door de Nazi’s ‘Judenfrei’ verklaard. Tot en met de familie Frank waren ze allemaal uitgeroeid.
Toch bleef Gemmeker in zijn rustieke woning aan de rand van het langzaam leger wordende Lager wonen, samen met zijn secretaresse / maîtresse, Frau Elisabeth Hassel
Waarom? Om op de winkel te passen… Want Gemmeker was en bleef een door en door loyale ambtenaar. Als een boekhouder had hij de transporten geregeld. Daar had hij een pervers maar sluitend systeem voor bedacht waarin Joodse kampbewoners werden ingezet om Joodse medebewoners te controleren en te selecteren voor de wekelijkse doodstransporten.
Woonhuis in de binnen-
stad van Groningen, waarvan
de bewoners werden
gedeporteerd naar Westerbork
Ook de gewone Groningse mensen uit mijn blog De Massamoord op Onze Buurtbewoners (van 23-06-'13) hebben voor kortere of langere tijd in Westerbork ‘gewoond’.

Gemmeker leek wel wat op de perfecte Holocaust-organisator en -boekhouder Adolf Eichmann (geboren in Solingen / SG), die overigens wél ter dood werd veroordeeld en in 1962 werd geëxecuteerd in Israël. Gemmeker zei in zijn proces van niets te weten, Eichmann verdedigde zich met het argument dat hij alleen maar bevelen van hogerhand had opgevolgd.
Alles in Kamp Westerbork moest er zo gewoon mogelijk uit zien en zo min mogelijk verwijzen naar de voorgenomen vernietiging. Gemmeker wilde het liefst dat het Lager er uit zag als een Stad Op De Hei, compleet met scholen, een theater en een ziekenhuis, vele malen groter en completer dan het naburige boerendorp Westerbork.
Gemmeker geloofde blijkbaar in de door hemzelf geschapen illusies en leugens. Hij heeft in zijn proces, tijdens zijn gevangenschap van slechts zes jaar, en tot aan zijn dood in 1982 ontkend dat hij wist dat massamoord het doel van de transporten was.

Op de plek van de appèlplaats, midden op de vlakte, staat een nieuw monument: 107.000 steentjes, één voor ieder slachtoffer van de genocide. Ik moest even denken aan de duizenden betonblokken in slagorde in Berlijn, het Holocaustmonument. Maar hier in Westerbork zie je een soort miniatuur, in
vriendelijk natuursteen, iets overzichtelijker.
Ik zag een vader die met zijn dochtertje tussen de steentjes liep. Het meisje ging op haar hurken zitten bij een rij steentjes: “Papa, zitten hier die mensen in?”
Niet alleen voor kinderen is De Holocaust onvoorstelbaar.

Max Aue is de hoofdpersoon in ‘De Welwillenden’ de roman van Jonathan Littell.
Hij maakt als SS-officier de Jodenvernietiging van zeer dichtbij mee. Vanuit die positie, als dader zonder zijn handen vuil te maken, beschrijft hij de gruwelen en slachtingen in vooral Oekraïne, Rusland en Polen minutieus, met een vervreemdende intellectuele en ironische afstandelijkheid.
Hij ontmoet mensen als Himmler, Auschwitzcommandant Höss en Adolf Eichmann. Hij vindt Eichmann een bekrompen bureaucraat en Himmler een lompe boer.
Aue walgt van al het bloed en gekerm tijdens de pogroms, met name in Kiev. Als de Joden dan toch uitgeroeid moeten worden, prefereert hij de ‘hygiënische oplossing’ van de gaskamers boven de misselijk makende slachtpartijen.
Albert Gemmeker zou voor Max Aue een man van zijn hart geweest zijn.: intelligent, beschaafd, strategisch, loyaal. Geen psychopaat, geen monster. Een doodgewone Duitser, werkzaam geweest als verzekeringsagent, uit Düsseldorf, herkenbaar aan de D op het nummerbord.

De Welwillenden is volgens mij een uniek meesterwerk. Uniek omdat de massamoorden niet als vanuit de aanklager maar door de dader zijn beschreven. Een meesterwerk omdat je letterlijk met kloppend hart en in ademnood, als in een nachtmerrie, pagina na pagina moet doorlezen. Door de ogen van Max Aue wordt de onvoorstelbare Holocaust enigszins voorstelbaar. Dat komt vooral omdat ik me als 'gewone' lezer medeplichtig ging voelen...
De Welwillenden: over een gewone samenleving die langzaam maar zeker opschoof in de richting van de totale waanzin.

Volgend jaar is het toneelstuk op basis van Littell’s roman te zien in de theaters. Op 7 juni 2016 in de schouwburg in Groningen. In de nu overdekte tuin van de villa van Gemmeker is ruimte voor (kleine) theatervoorstellingen met publiek. Het kan niet anders dan dat het personage Max Aue daar helemaal tot zijn recht komt.

dinsdag 26 mei 2015

JONGENSVRIENDSCHAP


Mijn ouders leverden mij in september 1959 af bij de priesters en de ‘president’ van Huize Caesarea in Ugchelen bij Apeldoorn. Dat was een kleine dependance van het toen overvolle Aartsbisschoppelijk Kleinseminarie. Hier zou ik mijn eerste stappen zetten op weg naar het priesterschap in de Rooms Katholieke Kerk. Twee jaar lang, tot de zomer van 1961, woonde ik hier in dit intieme internaat op de Veluwe, samen met vijftig andere jongens tussen 12 en 15 jaar.

Op grote reünies ben ik nooit af gekomen. Daar zou ik met mijn ziel onder mijn arm hebben rondgelopen tussen de succesverhalen van mensen die ik me nauwelijks herinnerde.
Maar Wim, een van mijn klasgenoten van toen, had een voortreffelijk idee.
Na wat denk- en speurwerk vond hij de namen en adressen van de jongens die vijfenvijftig jaar geleden vrienden van elkaar waren: Jan, Jos, Joop, Bert, Bernard, Frans, en ik. Eind vorige maand zagen we elkaar terug, voor het eerst na ruim een halve eeuw, acht actieve gepensioneerde mannen.
We hadden elkaar van te voren een recente foto en een korte levensloop gestuurd. Maar vooral herkenden wij elkaar aan onze vriendschap. Niet op een uitbundige manier, maar voorzichtig en wat verlegen. Het werd een onvergetelijke ervaring van hervonden verbondenheid.
Het werd dus géén reünie van succesverhalen. Het werd een dag waarin kleine herinneringen opborrelden (zoals ook beschreven in het mooie boek ‘Pubers voor God’ van Henk Kroon en Joop Soppe – Nijmegen 2001). We herinnerden ons de vaste plekken in de kapel en in de refter. Voor alles was een vaste plek, van de slaapzaal tot in de klas; voor alles was een vaste tijd, vanaf het opstaan tot en met het naar bed gaan; voor alles waren vaste taken, vaste rituelen, vaste gebeden en gezangen, elke dag en elke week en elk jaar opnieuw. Het leven was overzichtelijk, gestructureerd tot in detail.

Het werd een dag van verlangen naar deze veilige gemeenschap. Geen jongens-reünie zoals in de film en het boek (van Bert Wagendorp) Ventoux, geen herinneringen aan prestaties op het gebied van sport of vrouwen. Het was een wandeling met kleine passen door onze prille jongensjeugd.

Wim had voor onze reünie twee rondleidingen georganiseerd: ’s morgens in het kleine kloostergebouw Caesarea - nu een therapeutische instelling en een regiokantoor van het Leger des Heils - en ‘s middags in het imposante hoofdgebouw van het Kleinseminarie in Apeldoorn - nu de Politieacademie. Leger en Politie, handhavers van het geestelijke en wereldlijke heil: het Seminarie had slechtere erfgenamen kunnen krijgen.

Waren jongetjes veilig op zo’n katholiek internaat eind jaren vijftig? Naar mijn idee wel, althans de meesten van ons meestal… Misbruikt ben ik niet echt, al overschreed een van de priesters van Caesarea op subtiele wijze de grens door mij regelmatig troostend te strelen vanwege mijn veronderstelde eenzaamheid.
Het kleine seminarie Caesarea herinner ik mij vooral als de plek waar ik werd gezien als de jongen die ik was. Daar was ik geen afhankelijk kind meer, daar hoefde ik niet meer de oudste zoon te spelen van wie zoveel verwacht werd. Niemand wist uit welk gezin, uit welke buurt, uit welk milieu en van welke lagere school ik kwam. De jongens, uit allerlei dorpen en steden uit Noord- en Oost-Nederland, kenden mijn naam en ik leerde de andere namen kennen. Ik kon veilig en onbevooroordeeld mijn vrienden kiezen. Aardige jongens die ook mij kozen: Jan, Wim, Bert, Jos, Joop, Bernard en Frans.

Opeens zat ik met tranen in mijn ogen toen ik op de terugweg van de reünie die romantische hit uit 1975 op de radio hoorde: “Ik ben blij dat ik je niet vergeten ben” van Joost Nuissl. Ik wist de auto snel aan de kant van de weg te zetten om ontroerd mee te zingen:






Mijn lieve god, hoe is 't mogelijk dat ik je hier ontmoet?
Ik dacht dat ik je nimmer weer zou zien
Ik dacht, ik weet niet wat ik dacht, maar ik denk nu wat is 't goed
Meesterlijk en aardig bovendien

En ik ben blij dat ik je niet vergeten ben
Dat ik nog zoveel kleine dingen van je ken
Omdat ik steeds ben blijven dromen dat 't toch zover zou komen
Ben ik blij dat ik je niet vergeten ben

Thuis vond ik de tekst en de melodie op Youtube. Telkens als ik er weer naar luister voel ik hoe mijn jongens-reünie lijkt op de terugvonden liefde van ‘singer-songwriter’ Joost Nuissl. Dat ik nog zoveel kleine dingen van jullie ken: die wat scheve mond van Jan als hij glimlacht, die licht verende tred van Wim, die zacht-Drentse uitspraak en de grappen van Joop, die vriendelijke oogopslag van Bernard. En dat na vijfenvijftig jaar!
Maar er zijn ook een paar ernstige verschillen. Zo heb ik nooit gedroomd dat het ooit zover zou komen. En ik was mijn vrienden van 1959 bijna wél vergeten…
We waren elkaar bijna allemaal vergeten. Maar dankzij het meesterlijke idee van Wim gelukkig nét niet.
Niemand van ons is priester geworden. We zijn alle acht getrouwd en hebben kinderen en kleinkinderen. Iedereen heeft het Seminarie vroeger of later afgebroken.
Tijdens de reünie stelden we bijna geschokt vast dat niemand van ons zich kon herinneren wie wanneer was weggegaan uit Ugchelen of Apeldoorn. Dat hebben we compleet gewist uit ons geheugen. Afscheid is kennelijk onverdraaglijk als je je als puber vastklampt aan onbevooroordeelde vriendschappen. De beslissing om te breken met het Seminarie en met de ‘roeping’ voor het priesterschap nam ieder van ons waarschijnlijk in solitaire stilte. Je koos uiteindelijk voor jezelf en je offerde de vriendschap en solidariteit.

Natuurlijk zijn we in die jaren onze eigen weg gegaan
Met anderen in ons hart en in ons huis
Maar nu ik je weer gevonden heb laat ik je niet meer gaan
We komen samen uit en samen thuis

Volgend jaar april hebben we weer een reünie, georganiseerd door Joop en Frans.


dinsdag 21 april 2015

GENESIS - WAAR IS MIJN PLAATS?


Afgelopen zaterdag heb ik, bijna zes uur lang, de zinderende toneelvoorstelling Genesis ondergaan, in de regie van Johan Doesburg bij het Nationale Toneel in Den Haag.
Genesis, het Bijbelboek met de ongelofelijke verhalen over Adam en Eva, Kain en Abel, Noach, Abraham en Sara, Hagar en Rachel, Cham, Eliëzer, Lot, Jacob en Esau, Benjamin en Jozef.
Genesis: de door mensen geschreven geschiedenis van een voor mij onnavolgbare God. Al direct in het begin roept Jacob vertwijfeld uit: “Wat ben jij voor God, die mensen hun kinderen afpakt? Een achteloze God is geen god”.
Genesis: het oerverhaal over de schepping van hemel en aarde, het epos vanaf Adam tot en met aartsvader Jacob en zijn zonen. Ik ben er mee opgegroeid, ik heb er min of meer in geloofd, en ook toen ik andere dingen ging geloven heb ik de verhalen altijd met me meegedragen.

In deze voorstelling werd mij weer eens duidelijk hoe gewelddadig de oude Bijbelverhalen zijn en hoe een grillige God de mensheid in zijn macht hield. Dan weer een wraakzuchtige God en dan weer een beschermende en liefhebbende God. Om gek van te worden.
Onbegrijpelijk dat Abraham niet in opstand kwam tegen deze chanterende God. Eerst beloofde Hij een Heilig Land en ontelbare nakomelingen om vervolgens te eisen dat vader Abraham zijn zoon Isaac als een offerdier zou slachten. Het ontbrak er nog maar aan dat God niet eiste dat Isaac een oranje jurk moest aantrekken voordat zijn keel ter ere van de Allerhoogste doorgesneden zou worden. En dan op het laatste moment teruggeroepen worden door een engel des Heren die Abraham beveelt de jongen niet aan te raken. Wat is in hemelsnaam de betekenis van dit Goddelijk sadisme?
Neen, gelovig werd je niet van deze Genesis, maar dat was ook geenszins de bedoeling van Johan Doesburg en van tekstschrijver Sophie Kassies. Toch zal het evenmin de bedoeling zijn geweest om na de voorstelling God uit ons systeem te bannen of dood te verklaren…
Neen, ik denk dat ik God nooit volledig uit mijn systeem krijg. Sterker nog: in zijn “Psalmen en andere gedichten” noemt dichter Leo Vroman zijn God ‘Systeem’. Een woord dat naar mijn gevoel het mysterie van het leven uitdrukt én een woord dat verwijst naar de eeuwige vraag van de mensheid naar zijn - en ook mijn - plaats in het universum.
            
Systeem, Systeem, waar is mijn plaats?
Systeem! Is dit een tweegesprek 
of een met U alleen?

‘Wervelend, fascinerend en feestelijk’ schrijft de NRC: ***** !!
‘Welkom in de tuin van Eden’ in Het Parool: ****
‘Wonder van verbeelding’ schrijft Trouw: ****
‘Sprankelende teksten en heldere scenes’ in de Volkskrant: ****

Kennelijk fascineren die oerverhalen uit de Bijbel ons opnieuw. Waarom? We zijn toch ontkerkelijkt, we kijken nauwelijks meer om naar de Bijbel, de wetenschap lijkt het definitief van de irrationele religie gewonnen te hebben…
Fascinatie of geflirt in het kader van modieuze zoektochten naar zingeving? Kathedralen zijn prachtig, Bach is prachtig, de Bijbel is ook best wel prachtig. Fascinatie of heimwee naar de overzichtelijke wereld van onze katholieke of protestantse jeugd?
Of is het toch de oerkracht van deze verhalen, fantastisch vorm gegeven in deze zinderende voorstelling?
Ja, dáár ligt het volgens mij aan. Want krachtig toneel, indringende films, pure muziek roepen altijd vragen en altijd twijfels op. Kunst beweegt ons, kunst roept levensvragen op, kunst is het irrationele antwoord op een wereld waarin weten alleen op meten is gebaseerd.
Wij hebben onze kinderen niet met de Bijbel opgevoed en niet met een vreeswekkende God. Toch vraag ik me soms af of we daar goed aan gedaan hebben. Maar ook zonder religie zijn ze goed terecht gekomen.
Neem onze zoon Joris, acteur bij het Nationale Toneel: hij speelt in Genesis (net als de negen andere spelers) verschillende dubbelrollen. Hij is achtereenvolgens Adam, Cham, Eliëzer, Esau en, in het laatste van de vier bedrijven, Jozef.
Vol trots citeer ik Trouw: “…ieder speelt een grote hoeveelheid rollen en doet dat met grote overgave. Ieder van hen is even bevlogen en innemend. De grootste verrassing is misschien wel de intelligente en veelkleurige Joris Smit, die een prachtig gelaagde Jozef neerzet.”


GENESIS is alleen te zien in het Zuiderstrandtheater in Den Haag / Scheveningen. Het Nationale Toneel speelt deze marathon-voorstelling van donderdag tot en met zondag tussen 24 april en 24 mei. Meer informatie op: www.nationaletoneel.nl/genesis