Volgers

dinsdag 26 mei 2015

JONGENSVRIENDSCHAP


Mijn ouders leverden mij in september 1959 af bij de priesters en de ‘president’ van Huize Caesarea in Ugchelen bij Apeldoorn. Dat was een kleine dependance van het toen overvolle Aartsbisschoppelijk Kleinseminarie. Hier zou ik mijn eerste stappen zetten op weg naar het priesterschap in de Rooms Katholieke Kerk. Twee jaar lang, tot de zomer van 1961, woonde ik hier in dit intieme internaat op de Veluwe, samen met vijftig andere jongens tussen 12 en 15 jaar.

Op grote reünies ben ik nooit af gekomen. Daar zou ik met mijn ziel onder mijn arm hebben rondgelopen tussen de succesverhalen van mensen die ik me nauwelijks herinnerde.
Maar Wim, een van mijn klasgenoten van toen, had een voortreffelijk idee.
Na wat denk- en speurwerk vond hij de namen en adressen van de jongens die vijfenvijftig jaar geleden vrienden van elkaar waren: Jan, Jos, Joop, Bert, Bernard, Frans, en ik. Eind vorige maand zagen we elkaar terug, voor het eerst na ruim een halve eeuw, acht actieve gepensioneerde mannen.
We hadden elkaar van te voren een recente foto en een korte levensloop gestuurd. Maar vooral herkenden wij elkaar aan onze vriendschap. Niet op een uitbundige manier, maar voorzichtig en wat verlegen. Het werd een onvergetelijke ervaring van hervonden verbondenheid.
Het werd dus géén reünie van succesverhalen. Het werd een dag waarin kleine herinneringen opborrelden (zoals ook beschreven in het mooie boek ‘Pubers voor God’ van Henk Kroon en Joop Soppe – Nijmegen 2001). We herinnerden ons de vaste plekken in de kapel en in de refter. Voor alles was een vaste plek, van de slaapzaal tot in de klas; voor alles was een vaste tijd, vanaf het opstaan tot en met het naar bed gaan; voor alles waren vaste taken, vaste rituelen, vaste gebeden en gezangen, elke dag en elke week en elk jaar opnieuw. Het leven was overzichtelijk, gestructureerd tot in detail.

Het werd een dag van verlangen naar deze veilige gemeenschap. Geen jongens-reünie zoals in de film en het boek (van Bert Wagendorp) Ventoux, geen herinneringen aan prestaties op het gebied van sport of vrouwen. Het was een wandeling met kleine passen door onze prille jongensjeugd.

Wim had voor onze reünie twee rondleidingen georganiseerd: ’s morgens in het kleine kloostergebouw Caesarea - nu een therapeutische instelling en een regiokantoor van het Leger des Heils - en ‘s middags in het imposante hoofdgebouw van het Kleinseminarie in Apeldoorn - nu de Politieacademie. Leger en Politie, handhavers van het geestelijke en wereldlijke heil: het Seminarie had slechtere erfgenamen kunnen krijgen.

Waren jongetjes veilig op zo’n katholiek internaat eind jaren vijftig? Naar mijn idee wel, althans de meesten van ons meestal… Misbruikt ben ik niet echt, al overschreed een van de priesters van Caesarea op subtiele wijze de grens door mij regelmatig troostend te strelen vanwege mijn veronderstelde eenzaamheid.
Het kleine seminarie Caesarea herinner ik mij vooral als de plek waar ik werd gezien als de jongen die ik was. Daar was ik geen afhankelijk kind meer, daar hoefde ik niet meer de oudste zoon te spelen van wie zoveel verwacht werd. Niemand wist uit welk gezin, uit welke buurt, uit welk milieu en van welke lagere school ik kwam. De jongens, uit allerlei dorpen en steden uit Noord- en Oost-Nederland, kenden mijn naam en ik leerde de andere namen kennen. Ik kon veilig en onbevooroordeeld mijn vrienden kiezen. Aardige jongens die ook mij kozen: Jan, Wim, Bert, Jos, Joop, Bernard en Frans.

Opeens zat ik met tranen in mijn ogen toen ik op de terugweg van de reünie die romantische hit uit 1975 op de radio hoorde: “Ik ben blij dat ik je niet vergeten ben” van Joost Nuissl. Ik wist de auto snel aan de kant van de weg te zetten om ontroerd mee te zingen:






Mijn lieve god, hoe is 't mogelijk dat ik je hier ontmoet?
Ik dacht dat ik je nimmer weer zou zien
Ik dacht, ik weet niet wat ik dacht, maar ik denk nu wat is 't goed
Meesterlijk en aardig bovendien

En ik ben blij dat ik je niet vergeten ben
Dat ik nog zoveel kleine dingen van je ken
Omdat ik steeds ben blijven dromen dat 't toch zover zou komen
Ben ik blij dat ik je niet vergeten ben

Thuis vond ik de tekst en de melodie op Youtube. Telkens als ik er weer naar luister voel ik hoe mijn jongens-reünie lijkt op de terugvonden liefde van ‘singer-songwriter’ Joost Nuissl. Dat ik nog zoveel kleine dingen van jullie ken: die wat scheve mond van Jan als hij glimlacht, die licht verende tred van Wim, die zacht-Drentse uitspraak en de grappen van Joop, die vriendelijke oogopslag van Bernard. En dat na vijfenvijftig jaar!
Maar er zijn ook een paar ernstige verschillen. Zo heb ik nooit gedroomd dat het ooit zover zou komen. En ik was mijn vrienden van 1959 bijna wél vergeten…
We waren elkaar bijna allemaal vergeten. Maar dankzij het meesterlijke idee van Wim gelukkig nét niet.
Niemand van ons is priester geworden. We zijn alle acht getrouwd en hebben kinderen en kleinkinderen. Iedereen heeft het Seminarie vroeger of later afgebroken.
Tijdens de reünie stelden we bijna geschokt vast dat niemand van ons zich kon herinneren wie wanneer was weggegaan uit Ugchelen of Apeldoorn. Dat hebben we compleet gewist uit ons geheugen. Afscheid is kennelijk onverdraaglijk als je je als puber vastklampt aan onbevooroordeelde vriendschappen. De beslissing om te breken met het Seminarie en met de ‘roeping’ voor het priesterschap nam ieder van ons waarschijnlijk in solitaire stilte. Je koos uiteindelijk voor jezelf en je offerde de vriendschap en solidariteit.

Natuurlijk zijn we in die jaren onze eigen weg gegaan
Met anderen in ons hart en in ons huis
Maar nu ik je weer gevonden heb laat ik je niet meer gaan
We komen samen uit en samen thuis

Volgend jaar april hebben we weer een reünie, georganiseerd door Joop en Frans.