Volgers

dinsdag 29 december 2015

DE PAUS EN PRINS CLAUS

Vorige maand was het groot nieuws dat de Utrechtse daklozenkrant STRAATNIEUWS een exclusief interview had met de Paus in Rome. Ik dacht toen even terug aan het gesprek dat ik 34 jaar geleden had met Prins Claus. Want nog steeds kan ik een beetje pronken met het Kerstnummer 1981 van het maandblad Ouders van Nu. Ik had daarin een exclusief interview met de Prins over de vraag of hij zijn kinderen oorlogsspeelgoed zou geven.


Op de cover van STRAATNIEUWS, onder de foto van de breeduit lachende Paus: ‘Onze vriend in Rome (Eg woar!)’ Dat hij zich door STRAATNIEUWS liet interviewen, mede door een van de straatverkopers uit Utrecht, moet een bewuste keuze geweest zijn. Het is een knappe communicatiestrategie, waarin de stelling van Marshall McLuhan wordt bewezen en toegepast ‘The Medium Is The Massage’.
Immers, in het medium ‘Daklozenkrant’ stelt de Paus onomwonden:
“Jezus is als een dakloze ter wereld gekomen, een arme dakloze. En de Kerk wil alle mensen omhelzen en zeggen dat iedereen recht heeft op een dak boven zijn hoofd. De kerkelijke volksbewegingen(in Zuid Amerika) hebben het in het Spaans over ‘trabajo’ (werk), ‘techo’ (dak) en ‘tierra’ (grond)”
In een gesprek van bijna een uur vertelt de Paus aan STRAATNIEUWS over zíjn straat in Buenos Aires waar hij als kind woonde, waar hij voetbalde en waar hij met zijn moeder en oma boodschappen deed op de markt. Je voelt direct hoe ontspannen de sfeer was, daar in het Vaticaanse Paleis.
Zou Marc, STRAATNIEUWS-verkoper naast de HEMA, zijn vragen in vet Utrechts hebben gesteld? “Heilige voader, ken u zich een wereld bedenken zonder aaremoei?”

Al gruw ik van het hooghartige conservatisme van de Kerk en walg ik van de grijpgrage tengels van al die priesters en prelaten, deze Franciscus heeft compassie en is hartverwarmend.
Bas Heijne, toch zeker geen pilaarheilige, was in december 2014 in zijn NRC-column onder de indruk van de jaarlijkse ‘kerstgroet’ van de Paus waarin hij de curie, dat gezelschap van machtige kardinalen, de mantel uitveegde. In vijftien keiharde punten hekelde de Paus het exhibitionisme en de hang naar winst, de mentale en spirituele verstening, de verwaandheid en het geroddel maar ook de begrafenisgezichten van het belangrijkste Vaticaanse college. Woorden die pijn hebben gedaan in Rome.
Wat een persoonlijkheid, deze dappere én gezaghebbende én lieve man, hoog verheven boven het systeem waaraan hij leiding moet geven.

Al in juni was de afspraak geregeld om op 28 augustus 1981 Prins Claus te interviewen. Ik had zijn secretaris echter laten weten dat mijn vrouw in de eerste dagen van september was uitgerekend voor de bevalling. Dus als haar weeën vijf dagen eerder zouden beginnen, dan zou ik de afspraak moeten verzetten. Of de Prins daar begrip voor had… Ja, dat had hij!
Dus toog ik die dag, als redacteur van Ouders van Nu, naar het kleine paleis aan het Lange Voorhout in Den Haag waar Prins Claus zijn kantoor had. Ik kreeg een half uur om met hem te praten over de (on)wenselijkheid om kinderen, en dus ook zijn drie jongens van 14, 13 en 12 jaar, oorlogsspeelgoed te geven.
Je trekt gewoon aan de bel bij zo’n paleis en dan doet een heuse lakei in een jacquet open: “Ik heb om tien uur een afspraak met Prins Claus”
“Dan ben u Bachtoo Smit, van Ôhdes fan nu, u komp voor prins Clôhs. U ben lekkâh froech, zeg. Dus wach maar effe in zèh kamâh, hè komp so” zo stelde de lakei, gewoon een ambtenaar met een Algemeen Beschaafd Haags accent, mij op m’n gemak.
Na een paar minuten kwamen de Prins en zijn secretaris binnen. Claus gaf mij een warme hand, ik mompelde onhandig ‘Aangenaam, Hoogheid’ en brabbelde nerveus mijn naam. De man van de Koningin en de vader van Willem Alexander ging tegenover mij zitten op een rechte stoel en sloeg zijn benen over elkaar. Toen ik op dat moment zag dat hij hele dunne benen had en knalgele sokken droeg onder een zijn blauwe pak, werd ik vanzelf wat rustiger. De secretaris nam plaats in de verste hoek van de kamer.
Als ik dat nummer uit 1981 van Ouders van Nu (ook hier: ‘The medium is the massage’) terug lees, verbaas ik mij over de ferme uitspraken die Prins Claus deed. Die waren natuurlijk goed voor pakkende koppen en tussenkoppen in mijn artikel. Zijn woorden zijn overtuigend, maar ik herinner mij vooral zijn zachte stem met die lichte Duitse nuance. 
“Oorlog is te verschrikkelijk om er een spelletje mee te spelen”
“Mijn vrouw en ik waren het er van het begin af aan over eens dat we dat speelgoed niet bij ons in huis willen hebben”
“Ik geloof dat ik vooral een instinctief bezwaar tegen dat soort speelgoed heb. Mijn eigen ervaringen in de Tweede Wereldoorlog spelen hierbij een belangrijke rol”
“Ik pak niet te snel iets af. Maar ik grijp in als mijn jongens met elkaar op de vuist gaan of elkaar met stenen bekogelen. Toch passen wij er voor op om onze kinderen al te zeer te beknotten. Hun vrijheid is door de omstandigheden toch al beperkt genoeg”.

Ongemerkt liep het half uur uit tot bijna een uur. De Prins wilde van alles van mij weten, met name over onze oudste kinderen, over hun ervaringen op school, met vriendjes en in sport. Het werd gezellig daar aan het Lange Voorhout en ik zag dat ook Claus zich ontspande. Hij vroeg zelfs zijn secretaris om uit de hoek te komen en te vertellen over zíjn huiselijke situatie en over de lastige combinatie van vaderschap en carrière. De secretaris glimlachte beleefd en bleef in de plooi. Verontschuldigend legde Claus aan mij uit dat de man uit de diplomatieke dienst kwam en op lastige ambassadeposten had gewerkt: Vietnam, Oost Berlijn, Santiago de Chili.
De Prins -off the record - tegen zijn topambtenaar: “Meneer, ik heb vanuit mijn persoonlijke ervaring aan mijn kinderen uitgelegd wat oorlog wérkelijk is. Ik geloof dat vooral mensen zoals u oorlogen kunnen voorkomen, met geduld en stille diplomatie, met het bouwen van bruggen. En ik denk dat ú, meneer Smit, in uw blad Ouders van Nu, echt iets kan betekenen voor de vreedzame opvoeding van kinderen”.

Bij het afscheid vroeg Claus of ik hem een geboortekaartje van ons kind wilde sturen.
“Doe de groeten aan uw vrouw en wens haar sterkte” voegde hij er aan toe.
“Dank u, zal ik doen! En doet u ook de groeten aan uw vrouw…”
“Zal ik zeker doen!”
Al vind ik onze staatsvorm van erfelijke troonopvolging nog zo’n anachronisme, de persoonlijkheid van Claus is hoog verheven boven het systeem waar hij deel van is. Wat een dappere en lieve man.
Het geboortekaartje van onze Joris van 2 september 1981 heb ik hem via zijn secretaris gestuurd. Hij feliciteerde ons op officieel postpapier van de Prins der Nederlanden. Dat historische document ben ik kwijt geraakt. Maar het vereren van relikwieën paste ook niet in de geest van Prins Claus. En evenmin, vermoed ik, in die van Paus Franciscus.

Uiteraard bedank ik de Prins aan het eind van het gesprek.
Als de interviewers de Paus bedanken, zegt hij dat hij hén wil bedanken en dat hij genoten heeft van het gesprek. Claus zei precies hetzelfde. Ongelooflijk, maar ‘eg woar’.

dinsdag 1 december 2015

ZO MOOI ALLES

Als Leo Vroman zélf - althans als acteur Kees Hulst in de voorstelling ‘Hoe mooi alles’ - zijn beroemdste gedicht met zachte stem voorleest, vouw ik de handen voor mijn ogen. Dan gebeurt wat mij bijna nooit overkomt in het theater: ik huil.
‘Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaal ze honderd malen
alle malen zal ik wenen’
Ik weet precies waar ik ben en wat er gebeurt: ik zit op rij zes in de Groningse Stadsschouwburg, het is eind november 2015, er zitten een paar vrienden en tweehonderd andere mensen om mij heen, ik kijk en luister naar twee acteurs in een voorstelling. Dáár en op dát moment had ik minutenlang ontroerd kunnen blijven wenen, maar ik vergat niet waar ik was en ik hield me daarom zo goed mogelijk in. Mijn natte handen veegde ik af aan het pluche van mijn theaterstoel.
Al eerder in de voorstelling vulden mijn ogen zich met tranen. Als een bloem die zich langzaam ontvouwt van lente naar zomer, naar herfst en winter, zo verdiept zich de liefde tussen Leo Vroman en Tineke Sanders. Die begon kort voor de oorlog, in de studentenmensa in Utrecht. Leo ziet Tineke voor het eerst en gaat onhandig naast haar zitten. Binnen een paar seconden beseft hij dat hij onweerstaanbaar verliefd is. Kees Hulst, alias Leo Vroman, wendt zich tot het publiek: “Naast mij zit mijn hele toekomstige leven!” Hij is verbaasd en geschrokken, er klinkt zelfs wanhoop in door, hij is ontroerd door zijn eigen woorden en hij raakt mij.
Tineke blijkt écht geschrokken: “Wat wil die ouwelijke jongen van me?” En even later het dappere “Maar ik moest het er maar op wagen”.
Ze verloofden zich en, onderbroken door de oorlog waarin ze zeven jaar lang tragisch van elkaar gescheiden werden, trouwden ze in 1947 in New York. De ‘ouwelijke’ Leo Vroman overleed vorig jaar februari, 98 jaar oud. Tineke leeft nog, is nu bijna 95.
De voorstelling ‘Hoe mooi alles’ gaat voor een groot deel over de intieme twijfels van Leo en Tineke in de lente van hun liefde tot 1947. Een paar keer maken we een sprong naar de laatste periode, waarin we meemaken met hoeveel aandacht Tineke haar Leo verzorgt als hij ziek is en als hij overlijdt: “Leo, mijn leeuw, heb je je pillen al ingenomen?"

Dit was zo'n klein moment waarop de tranen mij in de ogen sprongen. Want naast mij in de schouwburg zit mijn vriend J. en naast hem zit zijn vrouw H. We gaan al dertig jaar samen naar voorstellingen. Ik denk dat J. mijn tranen niet opgemerkt heeft.
Ik ben bang dat ik over twee jaar niet meer naast hem zit, omdat hij dan te verzwakt en grotendeels verlamd is. Want J. weet sinds een paar maanden dat hij de verschrikkelijke ziekte ALS heeft en dat hij niet oud zal worden. Ik hoor nu al hoe H. aan hem vraagt: "Heb je je pillen al ingenomen?"
De gedichten van Leo Vroman zijn universeel en dát voel ik en dáárom huil ik.
Ik ben het dus eens met Kees Fens die Leo Vroman 'de dichtbijste dichter' noemde. Vroman: in zijn poëzie raken Liefde en Natuur elkaar op de meest spirituele wijze.
Tot op de laatste dag van zijn leven blijft hij schrijven: hij dicht hoe nieuwsgierig hij is naar de dood en naar het onbekende daarna. Vrolijk nieuwsgierig fantaseert hij over de wormen en maden die aan zijn dode lichaam snuffelen, aan hem knabbelen en hem kietelen. Speelse en weemoedige gedachten wisselen elkaar af: ‘Systeem, dit lichaam treurt om het verdwijnen, dat het o zo zelf zal moeten doen'.
Leo Vroman lijkt niet bang te zijn voor de dood. Is hij religieus? In een interview met Arjan Visser in Trouw zegt hij er zelf over:
“…vaak gebruik ik het woord Systeem in plaats van God, maar ik geloof niet in één systeem, ik kan mij verschillende hulpsystemen voorstellen, zoals er ook hulpsinterklazen zijn. Systeem is voor mij geen kil woord, het zijn enorme reeksen van ontdekkingen, een boom die alsmaar blijft vertakken, er komt geen einde aan.”
Ook in ‘Hoe mooi alles’ citeert Leo Vroman een van zijn Psalmen over het Systeem. Ik huiver bij deze herkenning, ik weet en ik voel direct dat hij zich niet richt tot een opperwezen, maar tot het enige dat in het universum te ontdekken valt: Systeem.
Lieve J., ik bid dat je troost vindt bij Leo Vroman en bij het Systeem, jouw Systeem.

Een half jaar eerder dan Leo Vroman, in de zomer van 2013, overleed Maarten van Roozendaal, 51 jaar jong, longkanker godverdomme. Zijn teksten, zijn muziek, zijn performance, zelden heeft een Nederlandse zanger mij meer geraakt dan hij. Ook hem heb ik zien optreden in de Groningse Stadsschouwburg. Na de voorstelling 'Hoe mooi alles' herinnerde ik mij het overweldigende lied van Maarten van Roozendaal 'Dit is zo mooi, om te janken zo mooi'. Neem even de moeite om het op te zoeken op You Tube.

Zo klein en intiem Leo Vroman, zo groots en meeslepend Maarten van Roozendaal. Maar ze dichten over hetzelfde: over de liefde, over de natuur. Of de Natuur, het Systeem, het Eeuwige…
Het laatste couplet uit ‘Mooi’, een genotzalig lied over de omnipotente natuur:
‘En als vannacht de open hemel de sterren strak laat stralen
en ik buiten op mijn rug lig, starend naar het firmament,
dat het stiller dan het stil is, eeuwiger dan eeuwig,
dan ben ik goddank nog een keer gevangen in ’t  moment’
Ook Maarten van Roozendaal, zo blijkt uit een van zijn laatste interviews, is voor de duvel niet bang en niet bang voor de dood.

Leo’s Tineke heeft het laatste woord in ‘Hoe mooi alles'. Met ijle zachte stem:
‘Mensen die niets van ons weten,
door onze liefde lief bezeten,
zullen onze dingen doen en
zoenen en zoenen’

Maarten van Roozendaal zou 'zoenen en zoenen' met volumineuze stem uit volle borst de zaal ingeslingerd hebben.


De voorstelling ‘Hoe mooi alles’ is tot 19 december nog te zien in Veenendaal, Amsterdam, Hoorn, Houten, Ede, Tiel, Leiden, Nijmegen, Amersfoort en Zeist. Trek je vooral niets aan van de kritiek destijds in de zure Volkskrant. Andere recensies waren lovend, vooral van Loek Zonneveld in De Groene: ‘Ik heb ademloos zitten kijken, wat een prachtige voorstelling’.

maandag 2 november 2015

BENEFIETGALA


Twee weken geleden hebben we als De Voorzitters het Benefietgala voor ‘Het Vergeten Kind’ gepresenteerd in Theater Vanberesteyn in Veendam. Op díe schaal een feest leiden met bijna tweehonderdvijftig aardig vermogende gasten, vette entree betalend voor het Goede Doel en iedereen opjagen om nóg meer Euro’s te laten rollen, dat was een stevige nieuwe uitdaging.

We hebben met De Voorzitters Gordiaanse knopen in organisaties doorgehakt, complexe congressen lichtvoetig geleid, projecten speels geopend of met passend slotakkoord afgerond. We zijn met applaus binnengehaald en soms afgeserveerd door een teleurgestelde opdrachtgever. Maar zo'n gala voor een goed doel presenteren? Niet mijn cup of tea.
De dunne grens tussen succes en mislukking zat bij bijna al onze opdrachten in het evenwicht tussen gedetailleerde voorbereiding en de ruimte om te improviseren en er een (onverwachte) grap in te gooien. Ook dit keer was het balanceren.
ZO! Gospel Choir
Het werd een vijf uur durend evenement, compleet met overdadig lopend buffet (‘rustig maar, dames en heren, het buffet staat stil en blijft  staan tot tien uur’) met perfecte shows, zoals van het super swingende ZO! Gospel Choir, met ‘Ladies-of-soul’-zangeres Glennis Grace, met een zeer profijtelijke veiling van kunst en design. De zaal werd muisstil toen we een hulpverleenster en een bewoner van een opvanghuis interviewden. En we  lardeerden het vrolijke feest met passende informatie over projecten van ‘Het Vergeten Kind’. Sandwichformule noemen we dat.

En dan te bedenken dat ik bepaald geen feestganger ben. Ik kan ongenietbaar doen tegen de aardigste mensen. Op veel feesten kan ik mijn draai niet vinden; mijn grappen ploffen dood neer op de vloerbedekking.
Maar omdat je je jarige broer/vriend/collega/Job niet wilt teleurstellen, zijn met name huiskamerfeestjes moeilijk te vermijden. Heel soms ontstaat er een interessant gesprek met een verwante van de jarige, maar net zo vaak krijg ik het zuur van de opdringerigheid van mij onbekende gasten.
‘Waar ken je Wim en Annie van? Golf?
‘Ik golf niet’, hoorde ik mezelf stuurs zeggen. Een aansluitende snier over de ballen van het Nederlands Elftal had misschien een boeiende conversatie opgeleverd, maar ik had geen zin in deze bondscoach.
Nieuwe poging, vanaf de linkerflank, staccato: ‘Collega’s?
‘Zeker niet’ en ik draaide me van hem af, richting rode wijn.
Als een hongerige spits schoot hij nu met de punt naar voren: ‘Bridge?
‘Doe ik al veertig jaar niet meer’ Amai, nu heb ik hem toch een opening geboden.
Er volgde een brutale attaque midden in het strafschopgebied: ‘Geen partner?
‘Mijn vrouw houdt er niet van’, en ik voelde dat ik door de knieën ging.
‘Dus je hébt het ooit gedaan. Waar heb je het geleerd? Een club?
‘Ik zit niet op clubs’ verklaarde ik korzelig.
Hij liet zich door mij niet intimideren: ‘Waar dan wel? Op het corps, de sociëteit?’
‘Ik heb het geleerd op het seminarie’
Ja hoor, nú had hij mij bij de kladden ‘Aha, dus katholiek! Gôh, da’s ook toevallig. Ik zat vanmiddag op een lezing, met mensen van allerlei religies, Islam, Katholiek, Boeddhisten, ga maar door. Ja, ook Joden. Interessant hè, dat die godsdiensten eigenlijk zoveel met elkaar gemeen hebben. Wat vind jij daarvan?’
Goddank viel mij de juiste grap in om van hem af te komen:
‘Weet je wat, ik ga even aan de wijn en daarna neem ik nog een hapje hosties’

Van feestjes met muziek ben ik al helemaal geen liefhebber. Altijd te hard, gegil en teringherrie, ka-boink boink boink. Geen gesprek mogelijk. ‘Muziek’ die ik zelf nooit zou draaien. Je moet er op commando op dansen en dat verrek ik al helemaal.
Feestjes met sprekers, nóg erger. Houten klazen met het improvisatietalent van een heipaal, ouwe koeien, prehistorische anekdotes.
Soms doemt het beeld weer op van die interim-manager die mij toesprak bij mijn afscheid van de Hogeschool. Bij die feestelijke gelegenheid bood ik mijn collega’s onze voorstelling aan over Dennendal, die ik samen met mijn zoon Joris overal in het land had gespeeld. (Ik heb er een blog over geschreven in januari 2011: “JORIS SPEELT IN ‘DENNENDAL’ DE WORSTELING VAN JORIS”)
Voorstelling 'Dennendal' op festival Noorderzon 2010
De interim-teamleider: ‘Wat nou zo leuk is collega’s, en wat jullie nog niet wisten, is dat Bartho vroeger zo maatschappelijke geëngageerd was. Hij heeft namelijk in de zeventiger jaren bij de Bloemenhovekliniek gewerkt, je weet wel, die abortuskliniek die van Agt toen wilde sluiten. Oudere collega’s onder ons weten dat vast nog wel…’
Met overslaande stem onderbrak ik haar onzin
‘Hoe komt u hierbij, mevrouw?’
Op dat moment kon ik niets grappigs bedenken,  ontdaan als ik was door het beledigende gebrek aan voorbereiding van deze middel-manager. Ik herinner me letterlijk wat ik haar smalend heb toegevoegd: ‘Iedereen behalve u weet, dat wij straks onze voorstelling ‘Dennendal’ spelen, over die instelling voor zwakzinnigenzorg, in 1974 na een hoogopgelopen conflict met geweld ontruimd door het zogenaamd progressieve kabinet Den Uyl… Dáár heb ik gewerkt! Nooit heb ik de hand gehad in welke abortus dan ook.’

Theater Vanberesteyn Veendam
Hopelijk hebben de opdrachtgevers van het Benefietgala niet al te veel gemerkt van mijn allergie voor feesten. Aan mijn mede-presentator en collega-Voorzitter Mick heb ik nog gevraagd of deze beker aan mij voorbij kon gaan. Ik had het prima gevonden als hij, met zijn schwung en ervaring, het feest in z’n eentje had gepresenteerd. Maar ik wist ook dat ik niet moest piepen en dat ik maar eens een grote jongen moest zijn.
Aan de voorbereidingen kan het niet gelegen hebben. Details waren doorgesproken, risico’s waren bekend. Maar vanaf de eerste seconde bij de opening van het feest overviel mij een verlammend gevoel van onzekerheid en eenzaamheid. Bij onze welkomstgroet stond ik op het podium als een amateur te hannesen met mijn tekstkaartjes. Droge mond, verkrampte grijns, zweethanden, geborrel in maag en darmen. Ik vreesde dat de hele zaal getuige werd van een gênant ongeluk. Ik voelde me een mislukte dierentemmer, een eenzame demente clown. Ook grote artiesten en acteurs, zo weet ik bijvoorbeeld van zoon Joris, kennen deze acute verlammingsverschijnselen.
Direct na die openingsact kwam de geluidstechnicus naar ons toe in de coulissen met de vraag wie van ons zo stond te snuiven en te hijgen in de headset-microfoon. Met een teder gebaar drukte hij de set opnieuw op mijn hoofd, verboog vakkundig wat aan het microfoontje en gaf mij een klop op mijn schouder. Tegelijk boog Mick zich naar mij toe om mijn afgezakte rode vlinderstrik weer fier op zijn plaats te zetten.

Hendrik Nicolaas Werkman: Violist en publiek
Vanaf dát kleine moment van attente en vriendelijke aandacht lukte het mij om me ín het feest te gooien en om mijn overbodige aversie tégen feesten van mij af te zetten. Met perfect zittende hoofdmicrofoon, pronte vlinderstrik onder het glitterjasje en waterproof draaiboek voelde ik vanaf het podium hoe de verwachtingsvolle energie trilde in de zaal. Bij de kunstveiling wisten we met bravoure het geld uit de zakken van de mensen te kloppen voor Het Vergeten Kind, doel van het gala.
‘En weten jullie wat het toppunt van eenzaamheid is…? Neen? Een Vergeten Kind in de Lange Leegte!  De echte Veendammers in de zaal grinnikten. De grap was aangekomen. En ik vierde even een klein feestje voor mezelf.




dinsdag 13 oktober 2015

WATERVALLEN VAN RODEN


Wandelen in het landelijke Roden (Dr.) vanaf havezate Mensinge: eerst glibberend door de modder langs het afwateringskanaaltje De Loop, dan een stuk over de dijk langs het Oude Diep die na de vistrap, de watervallen van Roden, in het meanderende Lieversche Diep overgaat; het kleine Sterrebos doorsteken naar het grote Mensingebos, links afslaan naar het stille ven en via de Oude Vaart en de voetbalvelden weer terug naar Mensinge. Zo’n zeven kilometer met onze hond struinen door het open veld, langs sloten en beken en door het bos. In alle seizoenen prachtig, vooral op stille zondagochtenden, en een eldorado voor honden. Want Ayke mag overal vrij rondlopen, plassen doen en geurvlaggetjes achterlaten bij elke boom, gave droge drollen draaien in het malse gras én zwemmen.
Eén van die mislukte politiemannetjes in de stad, zo’n BOA, die ons vanuit zijn lachwekkende hinderlaag  achter een dennetje besprong om ons als hondenbezitter op vette bekeuringen te trakteren, verkondigde in koud ambtelijke jargon dat de gracht om het Noorderplantsoen (waarin Ayke op heterdaad zwemmend was betrapt) in de zin der wet een Openbare Weg was en dat derhalve de aanlijnplicht daar volledig van kracht was.
Op steeds meer plekken, binnen maar ook buiten de stad, moet je je hond aanlijnen. Maar niet rondom Mensinge!
Op de parkeerplaats bij Mensinge bewegen twee grijze dames zich traag naar hun auto. Hun twee hondjes bepalen kennelijk het tempo. Het eerste hondje neemt alle tijd om nog wat te snuffelen, het tweede hondje schuifelt in een rechte lijn langzaam, tergend traag, naar de auto. Ach, nu zie ik dat zijn achterpootjes hangen in een rek op wieltjes… Een hondenrollator! Een uniek apparaat, op maat gemaakt door een vernufteling in dierenprothesen. Is dit belachelijk of ontroerend? Ik weet alleen: dát hebben mensen dus over voor hun invalide viervoeter.
In De Volkskrant van zaterdag 3 oktober een bizar artikel over het klonen van honden. Voor € 100.000,- maken ze in Zuid Korea een genetische kopie van je huisdier. Geen geld natuurlijk, want een kloon van een sterk ras gaat gauw tien jaar mee. Ook in Europa is er vraag naar, volgens de Koreaanse dierenkliniek. Kans van slagen op dit moment 10%, maar de wetenschap schrijdt voort.
Op het pad langs De Loop springt een energieke Duitse Staander tegen zijn baas op. De man gooit een stok naar de overkant van het water. De hond, een vrolijke jonge teef, neemt een aanloop en komt midden in de brede sloot terecht. Met een paar slagen is ze aan de andere kant, met een paar soepele sprongen neemt ze de steile oever, in het hoge gras vindt ze bijna direct de stok. Ze zwemt direct weer terug en legt de stok voor de voeten van de man. Onze Ayke staat er schaapachtig bij en vraagt met wat slappe blafjes om aandacht. Onze bewondering voor de jonge teef roept duidelijk jaloezie op.
De man vertelt dat de hond voornamelijk is opgevoed door zijn echtgenote. Een intensieve training, die in het begin zeker zestien uur per dag aandacht vergde. Het werd echter al snel duidelijk dat de hond eigenlijk alleen haar baas gehoorzaamde.
“Onze hond springt en draaft alle kanten op, niet kapot te krijgen. Op volle snelheid met zestig kilometer per uur! Wham, en weg is ze! Ze luistert niet als mijn vrouw haar terug roept. Misschien omdat mijn vrouw een te hoge stem heeft? Het is wel wrang dat ík alleen profijt heb van die training en mijn vrouw nauwelijks”.
De man gooit de stok nog eens naar de overkant. De hond kijkt hem strak aan. Pas als hij ‘apport’ roept, springt ze met elegante zweefduik weer het water in.
In het televisieprogramma op NPO 2 ‘De kennis van nu’ ging het vorige week dinsdag om intelligentie van honden. Honden zijn briljant in het anticiperen op hun baas. Ze kunnen lichaamstaal en gelaatsuitdrukkingen zien, begrijpen en er naar handelen. Ze snappen de taal waarin complexe opdrachten en commando’s worden gegeven. Naast alle informatie raakten we vooral onder de indruk van de beelden vol trouwe hondenogen, de ontroerend vragende blikken van de hond naar zijn baas.

Bij de vistrap huppelt Ayke direct naar het water. Hij kijkt ons verlangend aan: gooi de bal, gooi de bal!! Balancerend over de gladde keien en basaltblokken haalt hij acrobatische toeren uit om de tennisbal in zijn bek te nemen. Bij sterke stroming en hoog water kiepert hij soms te vroeg het water in, maar nu heeft hij alles onder controle. Hij duikt de bal achterna en zwemt tegen de toch nog stevige stroom in naar de kant.
Daar staan twee jongetjes met hun ouders te kijken naar de circusvoorstelling van onze behendige hond. Maar als de kletsnatte Ayke zich krachtig uit schudt, beginnen de jochies als muizen te piepen en hangen aan de benen van hun ouders. De ouders verontschuldigen zich voor de aanstellerij van hun kinderen. Ze kijken me opgelucht aan als ik verklaar dat ik zelf als kind ook bang was voor grote honden. Maar van Ayke kan ieder kind leren dat je niet bang hoeft te zijn….
In het Sterrenbos, waar Ayke nog wat achter de bal aanholt, komt een middelgrote roodbonte hond ons kwispelend tegemoet. Als ik de eigenaren goed heb verstaan: een Welsh Springer Spaniël.
Ayke negeert de nieuwe hond en gaat liggen kauwen op zijn bal, net zo lang tot die lek is. Zoals zo vaak met hondeneigenaren raken we direct aan de praat.
“Als we hier in het bos lopen, niet aangelijnd, luistert hij nog niet zo goed. Hij is jong en nog in training, als hulp hond. We hebben namelijk een gehandicapte zoon, met beperkingen in het autistisch spectrum”
            We kijken het echtpaar begripvol maar ook verbaasd aan. Verbaasd over hoe ze
zomaar iets over hun zoon vertellen, en in zulke correcte bewoordingen. Thuis lees ik op internet: Een autismegeleidehond is getraind om 3 tot 7-jarige kinderen met autisme buitenshuis te begeleiden. Doordat deze kinderen vaak wegrennen op straat of angstig zijn voor nieuwe situaties, komen sommige gezinnen amper de deur uit. Door het kind met een tuigje aan de autismegeleidehond te koppelen, is wegrennen (‘uitbreken’) niet meer mogelijk. Na het tijdje verdwijnt dit gedrag daardoor vaak en krijgt het hele gezin weer bewegingsvrijheid. Bovendien heeft de hond vaak een positieve invloed op het algehele gedrag van het kind.”

Zo duren de wandelingen in Roden soms wel twee uur. We strijken neer in het gezellige etablissement naast de havezate Mensinge. In steeds meer horecagelegenheden zijn honden niet welkom, maar in Mensinge altijd! 
Met honden heb je ongeveer hetzelfde als met vluchtelingen. Bang voor honden? Snap ik heus wel. Honden een beetje vies en eng? Kan ik ook nog in komen. Maar honden haten? Volledig onbegrijpelijk. Kijk nou zelf...

woensdag 7 oktober 2015

HUIZE SCHAAMROOD IN SCHEEMDA



De kop boven deze blog luidde oorspronkelijk ‘Fietsen in Duitsland is een feest’  De kop die er nu boven staat heb ik deels geleend van de column van René Cuperus in de Volkskrant van maandag 5 oktober.
Het blijft een feit: fietsen in Duitsland is een feest. Heerlijke landschappen, prima fietspaden, vriendelijke mensen.
Zijn Duitsers voor alle fietsers zo aardig? Of vooral voor buitenlanders op de fiets? Waar zagen ze aan dat we buitenlanders waren? Omdat we zo zwaar bepakt en bezakt waren? Hoe dan ook, we voelden ons zeer welkom in Duitsland.
Als we even stil stonden om het routeboekje van de Radweg te raadplegen, stopte er vaak een vriendelijke automobilist met de vraag of ie ons kon helpen.
Natuurlijk. ook in Nederland heb je hulpvaardige mensen. Maar hoe vaak krijg je naar je hoofd geslingerd: HÉ KLOOTZAK, GA AAN DE KANT MET DIE FIETS, JE STAAT MIDDEN OP EEN KRUISPUNT
Op elk kruispunt, bij de oversteek van elke onoverzichtelijke rotonde: als fietser krijg je voorrang, auto’s stoppen altijd.
In elk dorp kwam je wel iemand tegen die aan je gezicht zag dat je op zoek was naar de dichtstbij zijnde bakker.
Kwamen we een inheemse fietser tegen (steeds meer Duitsers lijken de fiets te ontdekken) van wie we, ondanks de goede bewegwijzering, toch even de goede richting wilden weten, dan liet die ons de keuze tussen de mooiste of de snelste route.
De Nederlandse fietsknooppunten: ideaal systeem, maar alleen voor fietsers. Mocht je een knooppunt missen, vraag het nooit aan een localo: FIETSKNOOP-WAT? 26? MOET DAT HIER ZIJN? NOOIT VAN GEHOORD. RIJ MAAR GEWOON RECHTDOOR

Het stortregende de hele dag en we besloten een stuk van de route met de trein te doen. Op het kleine station zaten échte lokettisten, échte mensen van het spoor, die de tijd namen om met ons mee te denken over de beste en voordeligste route. “Haben Sie een foordeeloerenkart? Dann kann es noch billiger!”
Vaak staken mensen ons een helpende hand toe als we onze veel te zwaar bepakte fietsen trap-op trap-af moesten slepen naar een ander perron.
Natuurlijk, ook in Nederland loopt er wel eens een behulpzame NS’er op een station, maar meestal is het:  KAARTJES? ALLEMAAL IN DE AUTOMAAT. DAAR JA, EINDE PERRON. FIETSKAARTJES? ALLES IN DE AUTOMAAT.

Fietsen in Duitsland. Zó mens- en milieuvriendelijk, zó gastvrij, dat we in een onbeschaamd en door geen Duitser opgemerkt ogenblik ons afvroegen: “Hebben jullie soms wat goed te maken…?”
’s Avonds op een kleine camping raakten we aan de praat met een groep vrienden die een vrijgezellenweekend vierden omdat een van hen ging trouwen. Luidruchtige Duitsers, vooral als ze drinkliederen gaan aanheffen, ga ik liever uit de weg. Maar deze jongens hadden een weemoedige en sentimentele dronk.
Met één van hen, net afgestudeerd als jurist in Hamburg, werd het contact wat persoonlijker. We hadden al afgesproken om elkaar te tutoyeren. ‘Duzen’ is heel wat voor een Duitser, zeker voor een jonge Duitse jurist. Toen we afscheid namen, wilde hij nog één vraag stellen:
‘Zeg eens eerlijk, hebben jullie een hekel aan ons?”
We snapten niets van de vraag. Hoezo, een hekel?
“Omdat we Duitsers zijn…?”, stamelde hij, haast onderdanig.

René Cuperus in De Volkskrant van 5 oktober:
‘In Nederland is sprake van een tamelijk lauwe, timide en wantrouwige welkomstcultuur. En er is dus die massale volksopstand gaande in de peilingen. Volgens Maurice de Hond heeft de PVV momenteel zelfs een potentieel tot wel 45 zetels. Wat gaat hier mis? Waarom bestaat juist in Nederland zo’n weerzin tegen vluchtelingen? Geen welkomstcultuur, maar een ‘rot-op-cultuur’


Dat hartgrondige wantrouwen tegen vluchtelingen doet denken aan het eind van de jaren ’30, toen duizenden Duitse Joden (onder wie de familie Frank) naar Nederland vluchtten omdat het hier veiliger zou zijn. Ook toen al werden talloze ‘gelukzoekers’ terug over de grens gezet. Nota bene op kosten van de Joodse gemeenschap werd in 1939 in Drenthe, toen nog echt het land van turf, jenever en achterdocht, een asielzoekerscentrum vol tochtige barakken opgericht. Dat was in Westerbork…
Wat hebben we veel goed te maken, hier in Nederland en in Duitsland.

Aan het eind van onze vakantie fietsten we in Oost Groningen de Duits-Nederlandse grens over. Na ruim een uur fietsen zochten we in Scheemda, maar het had ook in Beerta kunnen zijn, een cafetaria wegens onbedaarlijke zin in patat en croquetten.
De eerste snackbar waar we langs reden bleek die maandagmiddag gesloten. Ik vroeg aan een winkelier aan de overkant of er misschien nog een andere cafetaria of een restaurant open was. Zag of hoorde hij, wellicht aan onze accentloze uitspraak van het Nederlands of aan onze zwaar bepakte fietsen, dat we geen autochtone ‘Scheemders’ maar vreemdelingen waren?
HIER AAN DE OVERKANT
“Ja, maar die is dicht”
DAN IS ALLES DICHT
“Misschien een restaurant of een eetcafé?”
IK ZEG TOCH DAT ALLES DICHT IS OP MAANDAG
“Nou, in de stád Groningen zijn de meeste cafetaria’s open op maandagmiddag”
JE DOET DUS OF SCHEEMDA EEN ACHTERGEBLEVEN GEBIED IS
“Dat doe ik echt niet. Waarom zou ik iets tegen Scheemda hebben?”
IK ZEG JE: ALLES IS DICHT
Ik maakte een eind aan de conversatie met een cynisch “Nou, welkom in Scheemda”.
ROT DAN OP


Opeens schoot me een fragment uit een oude voorstelling te binnen van Neerlands Hoop in Bange Dagen (hoe actueel kan een titel zijn...) met Bram en Freek: over een inzamelingsactie voor 'Huize Schaamrood in Scheemda'. Het had ook Huize Beerput in Beerta kunnen zijn.